Door andere ogen

a column for Amsterdam based talkshow and webmagazine Stadsleven

The editorial team of the Amsterdam based talkshow and webmagazine Stadsleven, asked me to contribute to their December issue with a short (Dutch) story. It had been a while ago that I wrote a story, but it was nice to sit down and start mind-wandering from behind my keyboard.

Tegenover mij

zit een Japanse toerist. Hij reist alleen. Door een brilletje kijken zijn ogen naar de reisgids in zijn handen. Straks zal deze kleine man tussen de Amsterdamse grachtenpanden staan waarover ik hem nu zie lezen. Het wonder van de scheve huizen. Hij kan zich er vast niks bij voorstellen. Thuis is een schuin huis een slecht huis; in Japan zou een grachtenpand bij de eerste de beste aardbeving omvallen. De trein mindert vaart en we rijden Amsterdam binnen.

Bij het uitstappen stel ik mij voor dat ik de Japanse man ben. In mijn thuisland zijn mensen stil op openbare plekken, hier tettert het lawaai van pratende reizigers in mijn oren. Ik zie zakenmannen die ontbijten terwijl ze over het station lopen – op straat eten vind ik nogal onbeleefd – en iedereen botst hier tegen elkaar op zonder dat vreemd te vinden. Als ik het station uitloop, zie ik een gebouw. Het is een soort parkeergarage voor fietsen. Bakfietsen versierd met plastic bloemen, racefietsen zonder spatbord en barrels die eruit zien alsof ze nooit meer worden opgehaald. Niet eerder zag ik zoveel fietsen bij elkaar.

Terwijl ik naar de overvolle garage kijk, stel ik mij voor dat ik een fiets ben. Ik ben een wat ouder exemplaar, maar zie er nog tamelijk goed uit. Ik heb niet alleen een lamp, hij dóét het ook. Mijn lamp brandt niet op een batterijtje, maar wordt gevoed door een dynamo die fijn zoemt als ik rijd.

Ik ben een tevreden fiets, alleen heb ik de pest aan voetgangers. Als een stoplicht op rood springt, rol ik door en rinkel ik met mijn bel om ze weg te jagen. Voetgangers zijn vervelend, maar nog vervelender vind ik toeristen. Die lopen altijd voor je wielen en het wordt nog erger als ze op een van mijn soortgenoten rijden.

Op mijn zadel zit een Amsterdammer die samen met mijn bel op alles scheldt wat er voor mijn wielen komt. Want mijn wielen moeten rollen, daarom zijn ze rond. Terwijl ik daarover nadenk, denk ik aan alles wat rond is aan mij. Natuurlijk mijn wielen en de assen door mijn wielen, maar ook mijn bel, mijn lamp en alle schroefjes waarmee ik in elkaar zit.

Ik stel mij voor dat ik iets ronds ben. Ik zou een knoop kunnen zijn, een munt of een bal. Allemaal ronde dingen die rollen. Maar niet álles wat rond is rolt. Ik zou bijvoorbeeld ook een gat kunnen zijn, een gat dat perfect rond is. Of is een rond gat niets ronds in plaats van iets ronds?

Het leven van iets ronds is nogal abstract. Zo heb ik nog niet eerder naar mijn omgeving gekeken. En ineens weet ik wat ik wil zijn: een oog. Een rond oog dat om zich heen kijkt en alleen nog maar ronde dingen ziet.

More News